Wie vanaf Amstel door Museum de Hermitage doorsteekt, komt uit op een mooi binnenplein: Hoftuin. In de winter is het een oase van rust in de drukke Amsterdamse binnenstad, in de zomer een bruisende locatie met terrasjes. Aan de rechterkant van het plein, in het gebouw van de protestantse diaconie, bevindt zich sinds 2009 galerie Amsterdam Outsider Art. Het brein achter dit kunstinitiatief is Bert Schoonhoven. Hij ontvangt mij op deze prachtige locatie, om te vertellen over de bewogen geschiedenis van Outsider Art in Amsterdam.

Hoe ben je met Outsider Art in aanraking gekomen?
“Met mijn achtergrond als reclametekenaar werd ik in 1991 bij Stichting ago (nu Cordaan) aangenomen om een grafische groep op te zetten, maar toen ik al die tekentalenten zag, dacht ik ‘We moeten iets héél anders gaan doen!’ .
Het werd dus een echt kunstcollectief van acht mensen, onder wie Evert Panis (1940-2013), Janny Notmeijer (1943) en Ron Oosterbroek (1957-2007). Zij waren geselecteerd uit een veel grotere groep van duizend mensen die, over Amsterdam verspreid, in verschillende ateliers werkten. Het was een goede groep kunstenaars. Het streven was om, zonder al teveel toeters en bellen, het werk van deze mensen te gaan promoten. Ik dacht ‘Eigenlijk moet er een eigen term zijn voor de kunst die deze mensen maken’. Toen kwam ik, via galerie Herenplaats in Rotterdam, opeens in aanraking met de term Outsider Art. Een fenomeen dat zich in die tijd officieel voornamelijk in de Verenigde Staten afspeelde, en in mijn ogen compleet losgeslagen was. Hiermee bedoel ik dat er expliciet niet naar aansluiting bij de reguliere kunstwereld werd gezocht. Het werk van mensen met een verstandelijke beperking was eerder bijvoorbeeld geannexeerd door de Cobra schilders, en daarmee was voor de kunstwereld de kous af. Op deze manier werd dit soort kunst weer heel veilig. Terwijl in de Outsider Art alle opties nog open waren. Bij ons werkte Evert Panis en plotseling zag ik stijlverwanten aan de andere kant van de oceaan. Dat fascineerde mij.”

Hoe is de galerie oorspronkelijk van start gegaan?
“In 1993 werd een kleine galerie geopend aan de Weteringschans in hartje Amsterdam. Achter de galerie bevond zich het atelier waar de kunstenaars werkten. We wilden een galerie, midden in het centrum; geïntegreerd.
Waar we onze kunst aan het grote publiek konden tonen. De Weteringschans is een drukke winkelstraat, dicht bij het Spiegelkwartier met zijn vele kunstgaleries. Er kwamen bij ons voortdurend mensen binnenlopen, omdat ze bijvoorbeeld een mooi schilderij in de etalage hadden gezien. Die waren eigenlijk helemaal niet geïnteresseerd in de achtergrond van ons project. Ze zeiden ‘Ik kom voor dit schilderij’. Er hing altijd een hele goede, professionele sfeer. Dat was fijn, anders ben je weer snel zomaar een ‘dagcentrum’. Bij een bezoek aan een dagcentrum hebben mensen bepaalde, vaste verwachtingen. Maar nu was het meer een kwestie van: je loopt gewoon ergens op straat en je ziet opeens kunst. De galerie werd echter omstreeks 2000 gesloten. Het atelier verhuisde toen naar een groot pand in de Lutmastraat, een stille achterafstraat in de Pijp.”

Hoe is de galerie weer teruggekomen in het stadscentrum?
“Ik wilde rond die tijd iets voor mezelf beginnen op dit gebied, want de Outsider Art leek wel verdwenen uit Amsterdam. Er was alleen nog een kunstwerkplaats, zonder expositiemogelijkheden. Ik was inmiddels weer actief als agogisch werker, en begeleidde mensen met een verstandelijke beperking en met gedragsproblemen. Een paar jaar later kwam ik Aard Spek, de directeur van Stichting Cordaan tegen. Hij zei ‘Jij bent toch Bert, van de galerie?’.
Hij vertelde me dat de stichting weer een outsider galerie wilde opzetten, en vroeg of ik mogelijk interesse had. Ik heb hem toen geantwoord ‘Alleen als de galerie op een locatie in het stadscentrum komt’. Hij zei ‘Die locatie hebben we’.
Het bleek dit prachtige pand aan de Nieuwe Keizersgracht te zijn. Stichting Cordaan heette voorheen ‘Verenigde Amstelhuizen’ en runde in dit pand (en in de hiernaast gelegen Hermitage) een bejaardentehuis, in samenwerking met de protestantse diaconie. Cordaan heeft dus een historie op deze locatie. In 2009 ging de nieuwe galerie hier van start onder de naam Amsterdam Outsider Art.
Een groot voordeel van de huidige locatie, is dat je de kunst in één keer uit de zorgsfeer haalt. Op het moment dat mensen hier binnen stappen, zien ze een professionele, hoogwaardige galerie. En dat is zeldzaam. Ik bedoel, je krijgt meestal locaties zoals een bibliotheek of muziekschool aangeboden. Allemaal erg schattig, maar hier hebben we een grote, haast museale ruimte. Daarnaast is er ook nog de Outsider Art Kelder aan de Nieuwe Herengracht 18, dat is hier om de hoek.”

Welke plek zie jij voor galerie Amsterdam Outsider Art weggelegd binnen de Outsider Art?
“Voor mij is Outsider Art gewoon een tweede lichting Art Brut. Neem bijvoorbeeld Arthur Prins. Toen ik zijn werk voor het eerst zag, dacht ik ‘Verrek, er bestaat wel degelijk nog Art Brut kunst in onze tijd!’. Daarvoor sprak ik alleen maar mensen die zeiden ‘Art Brut, dat is gestopt in de jaren ’60. Daar moet je vanaf blijven, en nieuwe kunst mag je ook niet meer zo noemen’. Maar voor mij is Arthurs werk klassieke Art Brut.
De term Outsider Art an sich biedt mij een hoop vrijheid, maar het levert me ook vaak kritiek op. Ik zie het als een geuzennaam, en schaar er ook ontzettend goede kunstenaars onder die ‘slechts’ buiten het reguliere circuit vallen. Ook omdat je hier in de Amsterdamse kunstwereld een kartel hebt, waar je als buitenstaander gewoon niet in komt. Ik wil mensen de mogelijkheid bieden hier te exposeren. Dit is wat ik noem een ‘doorstroomgalerie’; ik neem het werk van mensen niet in stock, en ik vertegenwoordig hen ook niet. Ik zeg altijd ‘Je krijgt de kans hier twee maanden te hangen, ik zal je overal promoten, we geven een spetterende opening en je komt wekelijks op Outsider Art tv. Verder is het jouw taak, aan je eigen werk bekendheid te geven. Neem zoveel mogelijk mensen mee hiernaartoe’.
Na 25 jaar moet ik nog steeds erg mijn best doen om mensen Outsider Art serieus te laten nemen. Er komen wel steeds meer liefhebbers, maar ik krijg bijvoorbeeld geen ingang bij kranten. Zo doet Het Parool wel eens een interview met een kunstenaar, en dan wordt de bijbehorende expositie ook meteen in de kunstladder opgenomen. Op zo’n moment denk ik ‘Nu gaat het beginnen, nu komen we steeds terug in de ladder’. Maar nee.
Wel zie ik internationaal steeds meer initiatieven die veel aandacht genereren, zoals de Raw Vision expositie in Parijs van vorig jaar. Misschien dat het nu toch begint te komen?
De galerie heeft ook een eigen tv-programma: Outsider Art tv. Officieel is het één keer per maand een half uur op Salto tv te zien. Maar men vindt het programma zo leuk, dat het nu bijna dagelijks voorbijkomt. We filmen onder andereopeningen van exposities, en ik ga op pad voor interviews met kunstenaars. Outsider Art tv heeft in 2013 de Amsterdamse Mediaprijs gewonnen. Daar zijn we heel trots op, want we staan maar met een klein cameraatje te filmen en te ouwehoeren. Momenteel hebben we ook een nieuw film-programma: Uncooked Culture tv. We krijgen hiervoor vanuit de hele wereld kunst-filmpjes opgestuurd, daar maken we een keuze uit. Uncooked Culture tv volgt op Salto meteen na de uitzending van Outsider Art tv, en we zetten de filmpjes ook op ons eigen Youtube kanaal.”

Klopt mijn indruk dat binnen de Outsider Art geïnspireerde promotors onmisbaar zijn?
“In de galerie word ik ondersteund door drie of vier vrijwilligers, die vallen bijvoorbeeld wel eens voor me in. Maar de inrichting van een tentoonstelling doe ik bijvoorbeeld helemaal zelf. Individuele inzet is allesbepalend binnen de promotie van Outsider Art. Zo is er aan de University of Brighton (Engeland) een speciale leergang over outsiderkunst. Hierbij hoort zelfs een eigen atelier, ‘Rocket Artists’, waar verstandelijk gehandicapten werken. Dit als praktijkcase voor studenten die in de toekomst leiding willen gaan geven aan dit soort ateliers. Maar het hele project staat of valt met één vrouw: Alice Fox, zij werkt al zeventien jaar hieraan. En zo bestaat in Alkmaar ‘Artiance’, opgezet door Rita Nanne. In Rotterdam heb je ‘Frits en Richard’ (Frits Gronert en Richard Bennaars) van atelier/galerie Herenplaats en in Amsterdam had je ‘Henk en Bert’. Henk Rikkert was in 1990 de eerste die bij Stichting ago schilderijen ging maken – met Janny Notmeijer – en het ‘kunst’ durfde te noemen. Na mijn komst een jaar later, hebben we de handen ineen geslagen. De directie liet ons destijds weten het leuk te vinden dat wij ‘als gefrustreerde kunstenaars’ in het begeleiderswerk ‘ons ei kwijt konden’, maar dat het niet gewenst was dat wij mensen ‘tot kunstenaar zouden bombarderen’. Pure angst voor het onbekende. Inmiddels beschouwt Cordaan mijn activiteiten als ‘niet materiële winst’. Er wordt erkend dat kunst nu eenmaal geld kost, en men wil deze prachtige locatie openstellen voor Outsider Art, óók van kunstenaars van buiten de stichting of de zorg.
Laatst werd ik gevraagd voor een symposium, ik heb die mensen toen gezegd dat ik geen zin heb om steeds hetzelfde verhaal te moeten herhalen. Begin jaren ’90 hebben we bedacht dat er een atelier moest komen, waar kunstenaars van maandag tot en met vrijdag konden werken. Ik vind het een beetje gênant dat er nu, meer dan twintig jaar na dato, nog steeds zo weinig ontwikkeling is op dat gebied. Nog steeds worden – naar ons voorbeeld – her en der in Nederland kunstwerkplaatsen opgezet. Maar verder gebeurt er niets. Er moet een andere opzet komen! Ik denk hierbij aan inloopateliers en meer samenwerking. Ik wil dat je met een ‘strippenkaart’ naar ons atelier kunt komen, en beginnen te schilderen. We zijn nu aan het kijken of we kunstenaars kunnen begeleiden bij het opzetten van een eigen portfolio, waarmee ze vol vertrouwen af kunnen stappen op kunstacademies.”

Wat brengt de toekomst?
 “De kunstwerkplaats van Cordaan ondervindt momenteel de gevolgen van de bezuinigingen in de zorg: zij zal op den duur helaas worden gesloten. De afdeling keramiek wordt een productielijn, en uit de groep schilders wordt een aantal mensen geselecteerd, die samen een kunstcollectief gaan vormen. Gelukkig zijn er nog geen consequenties voor de galerie.
Als er hier een opening is, en er staan buiten driehonderd mensen te wachten, dan doet me dat deugd. Deze mensen spreken mijn taal; zij begrijpen wat ik bedoel. En zij verspreiden, als liefhebbers, de boodschap ook weer. Ook ben ik trots dat we, met vallen en opstaan, er nog steeds zijn. Ik ben nu achtenvijftig en hoop nog zeven jaar iets moois te kunnen maken, daarna geef ik het stokje door. Maar hiervoor heb ik nog niemand op het oog. Ik zou nog wel een adviserende taak willen hebben; dat ik hier bijvoorbeeld nog een dag in de week ga zitten of dat ik toch nog talenten kan scouten. Of ik het los zal kunnen laten? Ik denk het niet.”


Tekst: Eva von Stockhausen 

Categorieën: Uncategorized

0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *