Eerste bezoek
Vanaf 1995 ontving ik op de Herenplaats voor een periode van zo’n twee jaar, regelmatig een enveloppe met daarin een gedicht en een tekening; soms zelfs meerdere tekeningen. De adressering was altijd “Hooggeacht Frits Gronert”. De brieven met hun wonderlijke inhoud prikkelden mijn nieuwsgierigheid en op een winterse dag in februari 1996 bezocht ik de afzender, Aldo Piromalli (1946) in Amsterdam. Hij stond mij al op te wachten op de stoep; de voordeurbel was defect.
Hij stelde zich voor als “Aldo Piromalli, geboren in Rome in 1946” en begon tegen me te spreken in een niet te stuiten woordenstroom. In zijn appartement viel ik van de ene verbazing in de andere. Door de kamer liep een smal pad tot aan het raam dat was afgeschermd met een kurkengordijn. Een plekje in een zijkamer was gevuld met een hoogslaper en daaronder een klein tafeltje waaraan hij zijn tekeningen en gedichten bleek te maken. Er waren geen zitmeubelen en ik moest mij uiterst voorzichtig tussen alle opgestapelde voorwerpen voortbewegen.
Zijn gedichten schrijft hij in het Italiaans en Nederlands. Ze lijken op een opsomming van een toevallige reeks woorden, wat wel doet denken aan bepaalde dada-kunstenaars. Voor mij was er in elk geval geen touw aan vast te knopen. De tekeningen die hij al een jaar lang naar mij toestuurde, hadden de eenvoud van striptekeningen; soms grijs en soms met kleurpotlood ingekleurd. 

Tweede bezoek
In 2001 bezocht ik Piromalli voor de tweede maal. Deze keer was ik in gezelschap van Wouter Welling, toenmalig kunstrecensent van het Rotterdams Dagblad. Hij was geïnteresseerd in Piromalli omdat diens werk tentoongesteld zou worden in tent, in het kader van Rotterdam 2001, Culturele hoofdstad van Europa. Ook toen stond de kleine, wat gedrongen man met zijn grijze baard en een petje met klep ons voor de deur op te wachten. Voordat we naar binnen mochten, werden we op de hoogte gesteld van zijn situatie. Er zouden “bedreigende dingen gebeuren in de buurt”. 
Binnen betraden we een wereld vol verpakkingsmaterialen, blikjes en flesjes. In het midden van de ruimte stond een ladder met op elke sport een object. Wouter Welling zag het als een val, immers “bij de geringste verkeerde beweging zou Piromalli’s environment ineenstorten en de binnendringer verraden”. 1
Piromalli vertelde ons dat hij zich bij ’s lands grootste kruidenier had laten registreren om een bonuskaart te krijgen. Deze registratie heeft hij achteraf toch maar weer ongedaan laten maken. Zijn bonuskaart leverde hij in. Het was hetzelfde verhaal dat ik tijdens mijn bezoek, vijf jaar daarvoor hoorde. Wat ons opviel was dat de spulletjes die hij op zijn eigen manier rangschikt, schoongemaakt waren. “Als je jarenlang hier alleen bent, dan vind je het leuk om zulke dingen naast je te hebben”, lichtte hij toe.  Op de vraag wat hij met zijn tekeningen wil zeggen, antwoordde hij “Dat is om iets aan te duiden. Ieder vakje is anders dan de rest. Ik probeer hetzelfde te tekenen, maar dat kan niet. Het is altijd anders. Mijn teksten hebben betekenis, maar je moet ze kunnen lezen”. 
Piromalli heeft interesse in taal. Hij las Carl Jung, reisde naar India, bezocht de Dalai Lama en verdiepte zich in het Tibetaans boeddhisme. Hij heeft enorm veel woordenboeken en bestudeert het Oudgrieks. Hij lijkt een gevoelig mens en voelt een voortdurende bedreiging, of zoals hij dat zelf verwoordde “Ik ben als een elektrische kabel”.
Welling formuleerde het later als “Elementen ontleend aan waarneming, studie en mythologie worden door Piromalli gecombineerd. Willekeur is schijn, het verbindende element is zijn denken, voelen en fantasie. Dromen en angsten. Er zijn elementen met een duidelijke seksuele connotatie; er is zowel verlangen naar, als angst voor de vrouw. Een gesloten ruimte met een venster op de wereld. Herhaling als een rituele bezwering. Zijn beeldspraak ordent de buitenwereld, geeft haar samenhang. Daardoor neemt de constante bedreiging af. Zijn grammatica is die van de binnenwereld. Dat maakt zijn berichten soms moeilijk leesbaar. Wie zich ervoor opent, kan zijn angsten en verlangens wel navoelen”.2

Derde bezoek
Op vrijdag 16 mei 2014 bezocht ik Piromalli voor de derde keer. Nu in opdracht van Out of Art en in gezelschap van de fotograaf. Ook ditmaal weer stond hij ons op te wachten voor de deur. Vrijwel onveranderd, en deze keer met een grijs gebreid mutsje op zijn hoofd en een grote zwarte bril op zijn neus. Zonder begroeting begon hij meteen te praten. Het werd een monoloog over de “bedreigende situatie” en over zijn angst ooit eens zijn huis uit te moeten als het zou worden verkocht. We klommen de lange trap op naar zijn etage die nog steeds volstaat met spullen, geordend volgens de wetten van Piromalli. Ondertussen bespeurde ik angstige blikken van de fotograaf die niet meteen inzag waar zijn apparatuur neer te zetten en hoe foto’s te nemen. 
Een rekje met dozen vol stukjes karton met daarop twee hoedjes, verschillende gevonden voorwerpen op vier stukjes karton gerangschikt en twee rubberlaarzen lijken wachters bij een ritueel altaar, gemaakt van ogenschijnlijk nutteloze voorwerpen. Aan elkaar gebonden transparante plastic zakjes vormen een gordijn dat het buitenlicht fraai gefilterd binnen laat. De hoek onder Aldo’s hoogslaper staat vol met rekken met boeken, boeken en nog eens boeken. Deze ruimte is geheel afgeschermd met een stoffig gordijn van plastic zakjes. Zijn werktafel ligt bezaaid met papier, doosjes, stukjes karton en uitgeknipte verpakkingen. 
Ik vond stukjes karton die helemaal vol waren geplakt met strookjes uitgeknipt verpakkingsmateriaal. Deze kartonnen hadden de vorm van driehoeken, vierkanten, cirkels en ovalen. Hij vertelde dat dit zijn nieuwe kunstvorm is.
Hij maakt geen tekeningen meer die hij kopieert en inkleurt en daarna de gehele wereld instuurt. Nee, tegenwoordig knipt en plakt hij er op los. Stukken bruin karton gebruikt hij nog wel om tekeningen op te maken. Hierin herkende ik de stijl van de tekeningen op A4 formaat die hij mij eerder toestuurde.
Wat mij in tegenstelling tot de vorige bezoeken deze keer opviel, waren de overal opgestelde muizenvallen. Hij vertelde dat deze “kleine knagertjes” zijn omgeving “aanvallen en oppeuzelen” om direct daarna weer een heel ander verhaal te beginnen. Heel associatief, net als in zijn gedichten, roept het ene onderwerp het andere op. Soms komen flarden van vroeger naar boven en bij doorvragen bestaat de kans dat hij er ook iets over vertelt. Maar meestal niet. Dan krijgt het verhaal opeens een heel andere wending. Het is lastig om een beeld van Aldo Piromalli te krijgen. Hij schijnt in Italië gewerkt te hebben voor een radicale linkse politieke stroming. Daar werd hij opgenomen in de psychiatrie. Hij heeft veel gereisd en overal mensen ontmoet. In 1970 is hij opgepakt voor het in bezit hebben van marihuana, reisde naar Nederland en ging in Amsterdam wonen. Hij vertelde dat hij is afgesloten van gas en elektriciteit. Hierin vermoedt hij een complot van de ambtenaren. Je zou hem een zonderling kunnen noemen die maar moeilijk in onze maatschappij past.
Hij geeft toe dat hij “het liefst alleen op de wereld” zou willen zijn, “maar dat is onmogelijk”.

Kartonnetje
Ter afsluiting vroeg ik Piromalli of hij met ons meeging om in zijn favoriete Turkse koffiehuis wat te eten en te drinken. Onderweg maakten we nog een paar portretfoto’s en luisterden we naar zijn verhalen over “bedreigende situaties”. Toen ik na het afscheid nog een keer omkeek, zag ik hoe een kleine man met een grote zwarte bril en grijze baard zich bukte om een stukje karton van de straat op te rapen.  
Het lijdt geen twijfel waar dat karton zijn eindbestemming zou gaan vinden.

Noten: 1 /2  Wouter Welling, ‘Madness’, een uitgave van Galerie Atelier Herenplaats tijdens de gelijknamige tentoonstelling in tent tijdens Rotterdam 2001, Culturele Hoofdstad van Europa (ISBN 90-803114-8-0)


Tekst: Frits Gronert

Categorieën: Uncategorized

0 reacties

Geef een reactie

Avatar placeholder

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *